Een volk krijgt de cultuur dat het verdient!

De renaissance – het ultieme culturele event van de late middeleeuwen – kon alleen ontstaan doordat rijke, zich thans in Noord-Italië bevindende steden een substantieel deel van hun fortuin investeerden in cultuurgoed. Deze wedergeboorte van aandacht voor cultuur als substantieel onderdeel van de eigen identiteit, geldt sedertdien als een standaard waarlangs landen worden beoordeeld op de schaal van ontwikkeling. Anders gezegd; je bent een rijke cultuur als je erin besluit te investeren. Die traditie, weten wij in Nederland anno 2010 een halt toe te roepen, helaas. Wij zijn een land dat zelden uitblinkt. Maar als het er echt op aankomt, spreekt die welbekende kleiklomp aan de Noordzee toch zeker een woordje mee. Nederland kan niet bogen op een literatuurtraditie als de Russische, een filmgeschiedenis als de Franse of een muziekcanon als de Duits/Oostenrijkse. Maar van alle markten thuis zijnd, is er wel degelijk sprake van een mooie plek op de top van een hoge berg, als het gaat om cultuuruitingen. Niet voor niets geldt de Gouden Eeuw nog steeds als het hoogtepunt in de Europese schilderkunst. Doordat de Nederlanden van die tijd zo godsgruwelijk veel geld uit de veroverde gewesten wegsleepten, kunnen wij nu nog spreken over de grootsheid van Vermeer, Hals, Rembrandt cum suis en kunnen wij nog steeds genieten van hun craquelëe werk. Oké, er kleefde veel bloed aan de duiten die hiervoor nodig waren, maar dat kun je de schilders die toetraden tot ons eigen Walhalla niet aanrekenen. Het gaat om de essentie van geïnvesteerd vermogen en rendement daarop. Voor de afkomst ervan sluiten wij de ogen.

De directe link tussen het investeren met harde valuta in cultuur en het verkrijgen erdoor van een sterke identiteit, is vanwege de vorige alinea evident. Platter gezegd; als je als land op cultureel vlak iets wilt voorstellen, moet je daarin investeren. Dat de revenuen niet direct op de balans kunnen worden gezet, omdat deze impliciet deel uitmaken van de waarde van een samenleving, moet geen reden zijn dit niet te doen. Liever nog dan het investeren in een nieuwe snelweg door een natuurpark, de aanleg van dure metrolijnen of het in stand houden van overbodige bestuurslagen als provincies, zag ik graag enige tientallen miljoenen euro’s worden overgemaakt aan culturele instellingen als – in een willekeurige greep – orkesten, toneelgezelschappen en zij die met een hamer en beitel stukken steen te lijf gaan om er een ergens op gelijkend voorwerp uit te bevrijden.

 In Den Haag (als stad, niet als centrum van de macht, en per definitie mijn uitvalsbasis) is recentelijk de kraan resoluut dichtgedraaid op het gebied van kunst- en cultuursubsidies. Dat betekent dat organisatoren van veelbelovende festivals en uitbaters van kleine theaters in deze stad (c.q. dorp) zich op x-moment naar de gemeentelijke kas van bijstand mogen vervoegen om de hand op te houden. Dat betekent ook dat het slechts leidt tot een boekhoudkundige truc: niet investeren in cultuur, maar desinvesteren via bijstand.

Wanneer Arnon Grunberg ons van verre per voorpagina van de Volkskrant weet te berichten dat elk land de regering krijgt dat het verdient, weten wij twee dingen zeker. De schrijver zal zich zonder staatssteun in Nieuw-Amsterdam uitstekend redden en ons land mag zich op cultureel gebied dankzij staatsingrijpen voorlopig inderdaad maar beter bescheiden opstellen. Privaat geld is in zo’n geval wel een oplossing, maar eerst op lange(re) termijn, aldus Robert Lynch van de belangenorganisatie voor de kunstsector in de VS. Dat vergt jaren en die tijd is er niet. Die tijd is er nooit.

 Bescheiden opstellen dus. Al moet die bescheidenheid niet net zo lang duren als de periode tussen de instorting van het Romeinse Rijk en de revival ervan in de renaissance. Dat namelijk benam een kleine duizend jaar. En tijd is geld…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *