Een irritante titel? Van de week hoorde ik een manager mopperen op de jongste generatie die momenteel het bedrijf in- en doorstroomt. Wanneer het jonge mensen ergens niet bevalt, vertrekken ze zo snel ze kunnen. Voor sommigen is dit een reden om deze generatie onbetrouwbaar en alleen loyaal aan zichzelf te noemen. Door de recessie zijn generatie X en Y vaak het eerst aan de beurt om het pand te verlaten. Van het young-and-angry-blood wordt afscheid genomen met een gevoel van opluchting, omdat ze arrogant, veeleisend, niets gewend en verwend zouden zijn. Is dit allemaal wel terecht?
Waarom ten dele onrealistisch? Ze zijn de werkende wereld ingestuurd met het idee dat beloften nagekomen worden, dat je overleg en discussie voert over zaken die belangrijk zijn en dat je met winst of win win uit onderhandelingen komt. Ze zijn redelijkheid gewend en weten steekhoudende argumenten aan te dragen. Een groot aantal van deze jonge mensen komt in organisaties terecht waar managers aansturen op een wijze die niet overeenkomt met de verwachtingen die geschapen zijn tijdens de aanname-procedure. En die niet matcht met de opvoeding en educatie die generatie Y heeft genoten. Kenmerk van deze generatie is verder dat ze door luchtbellen heen prikken, een hekel aan reclames hebben en authenticiteit hoog in het vaandel hebben staan. Logisch dat ze aan de bel trekken bij diezelfde managers als er volgens hen onredelijk is of dat beloftes slechts beloftes blijken.
Sociale innovatie bestaat onder andere uit aan te wijzen vernieuwing waarop een organisatie door het management wordt aangestuurd en de wijzen waarop samenwerking tussen de medewerkers wordt vormgegeven.
In die zin zou sociale innovatie voor managers die al jaren werken niet zo moeilijk moeten zijn: ga met generatie Y op de werkvloer om, zoals je thuis op de vloer al die jaren met je kids omgaat. Zo moeilijk kan dat toch niet zijn?





